Pierre Hendrix

Antwerpen, 3 april 1913 – Antwerpen, 8 april 1995

Pierre Hendrix was een Vlaams kunstschilder, actief in Antwerpen en omgeving. Hij behoort tot de generatie figuratieve schilders die na de Tweede Wereldoorlog trouw bleef aan het landschap, het portret en het stilleven, terwijl de abstractie aan invloed won. Zijn palet werd in de loop van de jaren lichter en losser onder invloed van het kleurexpressionisme, zonder ooit de herkenbaarheid van het onderwerp op te geven. Hij zocht zijn motieven zelden ver van huis: velden en sneeuwlandschappen, achterkanten van huizenrijen, bewaakte spoorwegovergangen, Schelde- en havengezichten. Daarnaast was hij een gewaardeerd portrettist, die het karakter van de geportretteerde boven de gelijkenis stelde.

Hendrix studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen (1927–1934). Zijn vroege oeuvre ging in 1945 vrijwel volledig verloren bij een bominslag; het bewaarde werk dateert grotendeels van na de oorlog. Zijn schilderijen bevinden zich onder meer bij het Ministerie van Financiën te Brussel en in talrijke gemeentelijke en particuliere verzamelingen in binnen- en buitenland.

Kerngegevens

Opleiding en vroege jaren

Pierre Hendrix werd geboren in Antwerpen op 3 april 1913, minder dan twee jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Hij rekende zichzelf tot de "Verloren Generatie" — de kinderen die opgroeiden in de ontwrichting en armoede van de naoorlogse jaren.

Al tijdens zijn schooltijd in het Sint-Henricusgesticht trok zijn tekentalent de aandacht, onder meer van zijn leraar tekenen Samuel De Vriendt. Een voltijdse kunstopleiding werd hem door zijn ouders geweigerd; het kunstenaarschap gold in hun ogen als een leven van armoede en onzekerheid. Hendrix volgde daarom de avondlessen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen (1927–1934), terwijl hij overdag als jongste bediende de kost verdiende. Ondanks die dubbele belasting werd hij jaarlijks bekroond met een eerste- of tweedeprijsdiploma. Tot zijn leraren behoorden A. Van Beurden en, in de hoogste klas, Julien Creytens, die later directeur van de Academie zou worden.

Na de Academie vervulde hij zijn legerdienst in de Antwerpse Falconkazerne, waar hij de muren van de eetzaal met grote decoratieve panelen beschilderde. Hij huwde Clothilde Verbeeck en vestigde zich in Edegem; uit het huwelijk werden zes kinderen geboren. Enkelen volgden een artistieke weg, onder wie de oudste dochter, glazenierster Ria Hendrix. Omstreeks 1937 werd hij lid van de Kultuurkring van Mortsel, een levendig gezelschap van kunstenaars en letterkundigen rond schrijfster Marie Gevers op Kasteel Mussenburg.

De breuk van 1945

Op 1 maart 1945 verwoestte een V2-inslag het huis van het gezin in Edegem. Zij overleefden in de kelder, waar zij op dat ogenblik aan tafel zaten, maar de volledige inboedel ging verloren — en met haar vrijwel het gehele oeuvre dat Hendrix tot dan toe had opgebouwd. Hij hield aan de inslag een blijvende invaliditeit over.

Deze gebeurtenis vormt een scharnier in zijn loopbaan. Ze verklaart waarom er van zijn vooroorlogse werk zo weinig bewaard bleef, en waarom het overgeleverde oeuvre grotendeels na 1945 ontstond. Terugkerende motieven in dat latere werk — het vergankelijke, het bewaren van wat dreigt te verdwijnen — krijgen tegen deze achtergrond een bijzondere lading.

Wederopbouw en rijpe jaren

Na een korte periode in Henegouwen keerde het gezin terug naar Antwerpen en vestigde zich in Berchem (Pulhof). Hendrix begon opnieuw, en werkte veel in de openlucht. Hij schilderde bij voorkeur in de late namiddag en de avond, om de sfeer en de stemming van het licht vast te leggen, en was het meest bedrijvig in de herfst en de winter. Uitbundige lente- en zomerpartijen, felle groenen en harde blauwen lagen hem niet.

Later liet hij aan de Groenenborgerlaan in Wilrijk een woning met atelier bouwen, waar hij meer dan een kwarteeuw zou wonen. Vanuit zijn ateliervenster keek hij uit over het toen nog landelijke gebied richting Edegem, met in de verte de basiliekkoepel.

Hendrix exposeerde in een reeks Antwerpse zalen die intussen grotendeels verdwenen zijn, waaronder galerij De Eik van kunstschilder Jan Monden. Aan het Ministerie van Financiën, waar hij werkte, richtte hij de kunstkring T.A.K.A. (Tol en Accijnzen Kunstkring Antwerpen) op, waarvan hij de eerste voorzitter was. Via die kring en daarbuiten toonde hij zijn werk niet alleen in Antwerpen, Brussel en Gent, maar ook in Rijsel en Parijs.

Het werk

Hendrix is bovenal te typeren als landschapsschilder en portrettist. Het landschap zocht hij nooit ver: hij vond het in zijn onmiddellijke omgeving en observeerde het vanuit zijn woning. Hij schilderde wat gebleven was, of wat hij zich herinnerde en wilde bewaren. Twee onderwerpen keerden opvallend vaak terug: de achterkanten van huizenrijen en flatgebouwen, en de bewaakte spoorwegovergangen met hun rails, seinarmen en knipperlichten — motieven die hij door compositie en een gevoelige kleurbehandeling wist te tillen boven het alledaagse. Daarnaast schilderde hij stillevens, bloemstukken, interieurs en atelierscènes, en de Schelde met haar havengezichten en marines.

Zijn kleurgamma werd met de jaren lichter, zijn toets schetsmatiger. Fotografische nauwkeurigheid schuwde hij; kleurvlekken, borstelstreken en tere toetsen waren voor hem middelen om een sfeerbeeld te scheppen. De figuratie bleef hij trouw, wat hij zelf omschreef als een berekend risico met kleur en lijn, zonder ooit te vervallen in doelloos experiment.

Portretten

Als portrettist genoot Hendrix een gevestigde reputatie. Hij trachtte de innerlijkheid van zijn model weer te geven — aard, karakter, persoonlijkheid — eerder dan een louter uiterlijke gelijkenis. Of het nu om een opdracht ging of om een vrije keuze, zoals de portretten van zijn eigen kinderen, hij werkte met dezelfde ernst en toewijding.

Tot de bekende geportretteerden behoren de romanschrijver Jos Van Rooy, dichter Anton van Wilderode, de organist Jan Valach en beeldhouwer Albert De Smet. Ook het portret van zijn dochter Ria met strohoed geniet bekendheid.

Latere jaren

In 1983 overleed Clothilde Verbeeck, die hem zijn leven lang in zijn kunstenaarschap had gesteund en die zelfs blind was blijven meereizen wanneer hij ging schilderen. Haar dood leidde tot een lange creatieve stilte. Hendrix doorbrak die met een retrospectieve in Huis Hellemans te Edegem, ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag (1988). Vijf jaar later, voor zijn tachtigste, volgde in datzelfde huis een tweede overzicht met ruim vijfenzestig werken — slechts een fractie van zijn productie. Dichter Anton van Wilderode, een goede vriend, schreef bij die gelegenheid over zijn werk.

Pierre Hendrix overleed op 8 april 1995, vijf dagen na zijn tweeëntachtigste verjaardag, in het Middelheimziekenhuis te Antwerpen.

Ook dichter

Naast zijn beeldend werk schreef Hendrix ook poëzie. Een cyclus van zeven gedichten uit 1947 getuigt van dezelfde gevoeligheid voor landschap, stilte en vergankelijkheid die zijn schilderijen kenmerkt.

Vriendschappen en netwerk

Hendrix bewoog zich in een breed netwerk van kunstenaars en letterkundigen. Dichter Anton van Wilderode leidde meermaals zijn tentoonstellingen in en schreef over zijn werk. Onder zijn naaste vrienden rekende hij romanschrijver Jos Van Rooy, secretaris van het Kristelijk Vlaams Kunstenaarsverbond. Ook dichter Remi De Cnodder en letterkundige René Turkry belichtten zijn werk. In zijn Mortselse jaren behoorde hij tot de kring rond Marie Gevers, met figuren als dichter Karel Vertommen, schrijver-uitgever Anton Thiry en de beeldhouwers Floris en Jan de Cuyper.